Ronny De Causmaecker: ‘Aan de pomp moet je soms psycholoog zijn’
Achter tankstationbedrijven staan rasechte ondernemers met visie en passie. In de interviewserie ‘De zelfstandig ondernemer’ laten we ze uitgebreid aan het woord. Deze week spreken we Ronny De Causmaecker van De Causmaecker-De Vos BVBA in Oosteeklo. “Het gebeurt dat ik me afvraag waar mijn vrouw zit. Dan weet ik dat ze waarschijnlijk aan de pomp staat te praten met een vaste klant.”
Je rijdt het dorp uit waar hij geboren werd, slaat op de rotonde rechtsaf, en een beetje verder staat daar de fietsenwinkel van Ronny De Causmaecker en zijn vrouw Veronique De Vos te blinken. En in een straatje om de hoek: een heus tankstation. “We hebben het in 1999 van vooraan de zaak naar achteraan moeten verplaatsen”, glimlacht hij in zijn keuken. Het verhaal van het tankstation begon immers veel eerder, zo vertelt hij.
“Mijn ouders hadden in de jaren tachtig een beetje verderop een sportwinkel. Dat was in een huurpand waaraan ook een tankstation was verbonden. Ik heb dus nooit anders geweten dan dat mijn ouders ook benzine verkochten. Pas toen ik twaalf was verhuisden we naar deze plek, waar net zo goed ook een tankstation stond.”
“Dat waren gouden jaren, die eighties en nineties. Iedereen had een auto die veel verbruikte, dus de zaken gingen goed. Ik herinner me die tijd als druk. Bancontact bestond nog niet, dus het tankstation was open zolang mijn ouders wakker waren. Dat begon om zes uur ‘s ochtends, en soms kwam men om elf of twaalf ‘s nachts nog aankloppen om bediend te worden. Zo was er een veekoopman die ‘s nachts naar de veiling moest vertrekken en zonder diesel stond. Die riep gewoon naar hun slaapkamerraam of Marcella nog wakker was. Stond mijn moeder daar vervolgens in haar peignoir de pomp te bedienen. Dat zou nu niet meer kunnen.”
En jij hielp soms ook?
“Toen nog niet. Daar begon ik pas mee rond mijn zestiende. Ik ging nog naar school, natuurlijk, maar als ik thuis was en mijn ouders waren bezig met iemand in de winkel, vroegen ze mij wel eens of ik de mensen kon bijstaan. Die oudere generatie, die nog bediening verwacht is stilletjesaan aan het verdwijnen. We hebben die altijd met plezier geholpen, zeker de oude dametjes. En er zijn er nog altijd met vaste gewoontes. We weten wie er op zaterdag stipt om negen uur zal komen tanken. Verder is het gewoon zaak van op de camera te kijken: als ze staan te ijsberen aan de pomp, dan weten we dat we naar buiten moeten om te zien of we kunnen helpen.”
Je overweegt toch om met dat bedienen te stoppen, zeg je.
“Dat is zo. We moeten er immers voor thuisblijven, ook als de fietswinkel wel gesloten is. Het is jammer dat het moet verdwijnen, want het persoonlijke valt op die manier wel weg. Soms kan ik me afvragen waar mijn vrouw zit, en dan weet ik dat ze waarschijnlijk aan de pomp staat te praten met een vaste klant. Dat kan gerust een kwartier duren. Ja, mensen komen soms ook naar ons voor het contact.”
Eigenlijk is het een sociaal beroep, pomphouder zijn.
“Soms moest je aan de pomp psycholoog zijn. Mensen storten echt hun hart uit. Ook in in de fietsenwinkel kon dat gebeuren, maar zulke interacties verdwijnen uit de maatschappij. Alles wordt onpersoonlijk. Vroeger deden we boodschappen bij de lokale kruidenier die we kenden bij naam, en hadden we een gesprek. Nu gaan we naar de supermarkt zonder een woord met de caissière te wisselen.”
“Ik herinner mij de tijd nog toen onze benzinepomp vooraan stond, en we bij goed weer op de dorpel met de buren zaten te praten. Dan kwam er iemand tanken, en die zette zich er gezellig bij.”
Was het altijd evident dat jij de zaak zou verderzetten?
“Ik zat in de motorsport in die tijd, en sleutelde zelf ook aan motoren. Ik was gek van mechaniek, en wilde zelf een winkel beginnen in die richting. Ja, ik denk dat ik van mijn ouders wel de zelfstandige microbe heb gekregen, en toen zij wilden stoppen en een overnemer zochten, ben ik op dezelfde plek een fietsen- en motorfietsenzaak begonnen. We zijn gewisseld op Kerstavond 2000: wij trokken in dit huis in, en zij namen het appartement over waar wij tot dan woonden. En die benzinepomp, die namen we meteen ook over, als een mooie bijverdienste bij onze fietsenwinkel.”
Want een hoofdinkomen leverde het niet op?
“Eerst wel. De fietsenwinkel was in het begin geen evidentie, dat moest worden opgebouwd. Toen we daar van konden leven was dat een bevestiging, en uiteindelijk werd de fietsenbranche booming business. De brandstofverkoop begon ondertussen wel in te zakken tot wat het nu is: een bijkomstigheid. Toch willen we er niet mee ophouden, want we hebben best wel wat vaste klanten, oudere mensen die op ons rekenen om nog bediend te worden. Soms hebben ze nog geen bankkaart, of geven ze hun bankkaart aan ons, en dicteren ze de code. Rekenen we voor die bediening meer aan? Tuurlijk niet, dat is gewoon een service die we bieden. Het zit in de naam hé: service station.”
Wanneer begon die kentering dat je minder en minder benzine en diesel verkocht?
“Ergens in de jaren nul. Toen begin deze eeuw de euro werd ingevoerd verkochten wij jaarlijks nog makkelijk 600.000 tot 700.000 liter brandstof. Daarna begonnen auto’s zuiniger te worden, en ontstond er ook veel prijsconcurrentie. We geven immers geen directe kortingen aan de pomp maar rekenen gewoon de dagprijs. En dan zag je dat het leven kostelijk werd, en mensen op zoek gingen naar goedkopere alternatieven. Daar kon ik moeilijk tegenop, en zo zagen we het aantal liters behoorlijk zakken. Ik denk dat we nu nog rond de 400.000 liter per jaar zitten.”
“Ja, het is moeilijk geworden voor kleine service stations die niet aan een autostrade liggen. Dan hang je af van de plaatselijke bevolking. En op dat vlak hebben we het de laatste twee jaar niet gemakkelijk gehad. De straat waar ons tankstation ligt is in die periode bijna voortdurend afgesloten geweest door wegenwerken, waardoor onze klanten ons niet konden bereiken.”
Waarom ligt het tankstation eigenlijk achter de winkel, om het hoekje in een ander straatje?
“Dat was van moeten. Waar onze zaak staat, was oorspronkelijk een oude Ford-garage gevestigd met drie pompjes vooraan. Van dat terrein is op een bepaald moment een stuk onteigend, en door nieuwe milieuwetgeving moesten we het tankstation wel verhuizen naar achter. Achteraf gezien is dat een pluspunt gebleken. Mensen kunnen daar veel rustiger tanken. Ze slaan het straatje in, en kunnen zo het tankstation oprijden. Op de drukke baan vooraan was het heel moeilijk om af te slaan.”
Maar die locatie bracht de afgelopen twee jaar dus ellende.
“Heel veel ellende. Om de haverklap werd de straat open gelegd voor infrastructuurwerken. Dat was heel zwaar, financieel maar ook mentaal. Je vaste kosten blijven immers doorlopen: een milieucoördinator, het onderhoud van de pompen,… En de compensatie die je krijgt, daar spring je niet ver mee. Daarmee betaal je hoogstens je elektriciteitsfactuur, maar ondertussen verdwijnen je klanten wel, want die gaan op zoek naar alternatieven en komen misschien niet meer terug. Ondertussen kunnen mensen alweer nét tot bij de pompen rijden, maar helemaal terug zijn we niet. Ook omdat ze langs die weg nog niet kunnen doorrijden tot Gent, zoals vroeger.”
Jullie waren van in het begin Texaco en zijn dat gebleven. Was dat vanzelfsprekend?
“Toch wel. Mensen vroegen daar zelfs expliciet naar, want de brandstof van dat merk heeft een goeie naam. En ook daar heb ik de verschuivingen gezien. Vroeger had Texaco een gigantisch kantoorgebouw in Brussel waar tientallen mensen werkten. Dat is gedaan. En ook de contracten zijn veranderd. Vroeger werden die afgesloten voor vijf of tien jaar, nu moeten we elke twee of drie jaar opnieuw onderhandelen over onze marge. Dat zijn elke keer harde onderhandelingen om toch iets uit de brand te slepen. Ik heb collega’s die hun advocaat meenemen naar zulke besprekingen, maar wij hebben een goeie band met onze reiziger. We vinden elkaar altijd wel.”
“En uiteindelijk kiezen we bewust voor dat merk. Daarom komen bijvoorbeeld alle garages uit de streek hier tanken voor ze een wagen naar de keuring brengen voor een roettest. Ze wisten dat Texaco niet op de kwaliteit toegeeft. We verkopen daarom ook hun XL-brandstoffen; iets duurder, maar je weet dat je een goed product hebt. Die filosofie hou ik ook aan in de fietsenwinkel. Ik zou kunnen kiezen voor minderwaardige merken waar ik meer op verdien, maar dat is niet mijn mindset. Ik wil dat mijn klanten tevreden zijn.”
Diesel is niettemin op weg naar de uitgang, niet?
“Onder invloed van de Euro 6-norm is dat inderdaad aan het verdwijnen. Het aanbod aan dieselwagens is ook sterk verminderd, en dat geeft die evolutie nog een duwtje extra. Uiteindelijk kopen mensen wat ze graag zien. En als een BMW willen, en dat kan alleen maar elektrisch, dan kiezen ze voor die BMW, en niet voor die Dacia met dieselmotor. Belgen willen nog altijd vooral een mooie auto.”
(tekst gaat verder onder de foto)

Een andere evolutie die in al die jaren de kop opstak was de beweging naar meer en meer retail.
“En daar zijn we niet in willen meegaan. Ook Texaco heeft dat als verdienmodel geïntroduceerd. Ik ben ooit naar een meeting geweest waar dat werd voorgesteld, en er werd gehamerd dat je broodjes moest verkopen, en drank. Dat moest dan de dalende liters compenseren. Wij wisten ook wat dat betekende: beginnen om vijf of zes uur ‘s ochtends, en daar ‘s avonds om zeven nog staan. Dat zagen we ons niet doen. Zo’n kruideniersbezigheid was voor ons geen corebusiness, en dus hebben we die kelk maar aan ons laten voorbijgaan.”
Ondertussen maakt ook het elektrisch rijden opgang. Dat zet nog eens een domper op de brandstofverkoop?
“Dat is vooral iets van de laatste twee jaar. Meer en meer mensen zetten thuis een laadpaal, krijgen een elektrische leasewagen van hun werk, en die mogen zelfs niet meer hybride zijn. Dat scheelt ook alweer in de verkoop, ja. Toch denk ik niet dat wij nog laadpalen gaan zetten. Het is niet moeilijk om iets als elektriciteit aan te kopen en te verkopen, maar de grote winst zit er niet in voor ons als verkoper. Die is voor de grote maatschappijen, terwijl wij wel zouden moeten investeren in een dure installatie met zware bekabeling. Ik ben nu 54, in de laatste fase van mijn carrière. Ik denk niet dat ik die overgang nog moet inzetten. We zullen het tankstation laten doodbloeden, om het zo te zeggen. Dat is spijtig, maar het is de evolutie. We kunnen de energietransitie niet ontkennen.”
Het stopt dus op een bepaald moment?
“Ja. Als de boekhouder zegt dat het sop de kool niet meer waard is, dan kunnen we niet anders. En dat betekent wel iets voor me. Ik zie mijn ouders hier nog staan, voortdurend klanten bedienend; soms twee tegelijk! Dan bedenk ik me hoe zij van Texaco alles kregen wat boven de grond staat: pompen, luifel, het onderhoud,… Ze kregen daarom iets minder marge, maar verdienden nog altijd meer dan wij nu. Wij draaien immers wel op voor alle vaste kosten, en dat vreet aan onze marges. Bancontact, onderhoud, keuringen, een milieuvergunning,.. Het tikt allemaal aan, en dan verandert de wetgeving ook nog eens constant. Gelukkig hebben wij een vergunning die nog twintig jaar loopt. Ik kan me niet voorstellen wat het zou zijn om nu nog te beginnen met een tankstation, en dubbelwandige tanks moet steken met lekdetectie. Die kosten zijn gigantisch.”
“Ik heb er de afgelopen jaren over nagedacht om er nu al het bijltje bij neer te gooien. Als er grote kosten nodig waren geweest, dan hadden we die knoop doorgehakt. Dat zou voelen alsof we ons kindje moeten afgeven. Ik doe dit immers al sinds ik een klein manneke was. Er zijn klanten van toen die nog altijd langskomen, en mensen in Oosteeklo herkennen me ook als die van het tankstation; dat doet iets met je. Het is dus een afscheid dat ik constant uitstel, maar ooit komt het er van. We zijn gedoemd om te verdwijnen.”
Lees ook:




